Kunstenaars en literatoren

30

In de jaren tachtig van de negentiende eeuw werden in Woerden drie jongens geboren die zouden uitgroeien tot (inter)nationaal bekende kunstenaars: Cornelis Vreedenburgh (1880-1946), Leo Gestel (1881-1941) en Jan Kriege (1884-1944).

 

CORNELIS VREEDENBURGH (Woerden 1880-1946 Laren)

Vreedenburgh werkte tot zijn zesentwintigste bij zijn vader als huis- en decoratieschilder voordat hij zich, gesteund door Koninklijke Subsidies, geheel op de kunst toelegde. Zijn vier broers bezochten de academie in Brussel, terwijl Cornelis, die uiteindelijk het meest getalenteerd bleek, les kreeg van zijn vader en enige tijd van de landschapsschilder Gerard Roermeester. Verder leerde Vreedenburgh naar eigen zeggen veel van de schilder Willem Bastiaan Tholen.

Zijn leven lang bleef Vreedenburgh trouw aan het impressionisme van de Haagse School. Hij ontwikkelde daarin een karakteristieke stijl met toepassing van korte, vaak kleurige verftoetsjes die aan het luminisme doen denken. Zijn onderwerpen waren overwegend landschappen en plasgezichten. Hij maakte veel studies in het Zuid-Hollandse plassengebied, waar hij van 1906 tot 1912 achtereenvolgens in Nieuwkoop, Reeuwijk, Warmond en Noorden woonde. Ook in en rond Woerden zelf bleef hij schilderen.

In 1917 vestigden Vreedenburgh en zijn vrouw, de schilderes Marie Schotel (1884-1953), zich in Laren. Hier begon Vreedenburgh met een belangrijk nieuw onderwerp: Amsterdamse stadsgezichten. Grachten, torens en kerken van deze stad schilderde hij op stemmige wijze en zo nu en dan vanuit originele standpunten. Later kwamen daar havengezichten en stedelijke bouwactiviteiten bij. Verder reisde Vreedenburgh graag, vooral in het Middellandse Zeegebied, en schilderde hij ook zuidelijke landschappen.

In 1937 vond in Hotel Hamdorff in Laren een overzichtstentoonstelling van Vreedenburghs werk plaats. Het succes hiervan werd bekroond door de aankoop van twee werken door koningin Wilhelmina. Drie jaar eerder had Vreedenburgh al samen met zijn collega’s Wolter, Van Mastenbroek en Van Soest de koninklijke opdracht gekregen een schildering te maken voor een kamerscherm als huwelijksgeschenk voor de Engelse prins George Edward. Na 1940 heeft Vreedenburgh om gezondheidsredenen weinig meer geschilderd.

 

LEO GESTEL (Woerden 1881-1941 Hilversum)

Leo Gestel wordt beschouwd als een van de belangrijkste Nederlandse kunstenaars uit de eerste helft van de 20ste eeuw. Gestel vertaalde verschillende internationale kunststromingen in zijn eigen werk en ontwikkelde ten slotte een eigenzinnige vorm van expressionisme.

Leo Gestel krijgt de voornaam Leendert als hij in november 1881 wordt geboren in het gezin van de Woerdense huis- en decoratieschilder Willem Gestel. De vader is tevens directeur van de Woerdense Avondteekenschool en geeft ook Leendert tekenlessen. Deze blijft, ook nadat hij allang uit Woerden vertrokken is, altijd zijn familie en vrienden in Woerden bezoeken. Tijdens die bezoeken tekent en schildert hij vaak weer in Woerden en omgeving.

Hoewel zijn vader er aanvankelijk tegen is, wil Leendert kunstschilder worden. Daarom verhuist hij in 1900 naar Amsterdam om daar te studeren aan de Rijksnormaalschool voor Teeken-onderwijzers. Daarnaast volgt hij avondlessen aan de Rijksacademie. Na het behalen van zijn MO-akte verdient hij de kost met reclametekenwerk.

In 1904 betrekt hij een zolderverdieping op de 2e Jan Steenstraat 80, een adres dat als ‘Jan Steenzolder’ een begrip zal worden. Het wordt een ontmoetingsplaats voor beeldend kunstenaars, musici, schrijvers en verzamelaars, waar vriendschappen voor het leven ontstaan. Gestels vrienden, onder de indruk van zijn talent, noemen hem Leonardo, naar Leonardo da Vinci. Afgekort tot Leo blijft Gestel deze naam zijn leven lang gebruiken.

Leo Gestel volgt de nationale en internationale kunstwereld op de voet. Dat brengt hem ertoe voor zijn eigen werk steeds te zoeken naar nieuwe uitdrukkingsvormen. Zo gaat hij in de loop der jaren van een academisch-realistische stijl naar impressionisme, luminisme, kubisme en expressionisme. Vooral het kubistisch werk, gemaakt tijdens zijn verblijf op Mallorca in 1914, is befaamd. Elke overgang naar een nieuwe fase heeft echter tijd nodig. Het is steeds een rijpingsproces. Anders dan sommige collega’s gaat hij nooit abstract werken, want hij wil voeling blijven houden met de werkelijkheid. Hij houdt ook nooit te lang aan een bepaalde stijl vast, want hij wil niet vervallen in een ‘maniertje’.

Vanaf 1911 werkt hij veel in Bergen (NH) en tien jaar later vestigt hij zich daar. Zijn werk vindt aansluiting bij de Bergense School. Het is een realistische, wat hoekige en donkere stijl. In de jaren ’20 laat hij die weer los en ontwikkelt hij een eigen vorm van expressionisme. Dit voltrekt zich mede tijdens langdurige verblijven in het buitenland: Duitsland, Sicilië, Zuid-Italië, Vlaanderen. Steeds keren vaste onderwerpen in zijn werk terug: vrouwfiguren, dieren (vooral paarden) en circustaferelen. Zijn persoonlijke stijl leidt soms tot groteske vervormingen van figuren, bijvoorbeeld bij de boeren en vissers die hij in de jaren ’30 in het Gooi tekent. Naast deze onderwerpen blijft hij altijd portretten en landschappen maken. Voor de landschappen trekt Gestel er graag per fiets op uit om buiten op een mooie plek te tekenen.

Gestel is in 1930 naar Blaricum in het Gooi verhuisd, nadat in 1929 in Bergen zijn atelier is afgebrand met vierhonderd kunstwerken die klaar stonden voor een tentoonstelling. Gelukkig heeft hij altijd veel verkocht, aan musea en aan verzamelaars. Met name de collectioneur Piet Boendermaker, voor wie Gestel overigens lange tijd als adviseur optrad, heeft honderden werken van hem en ook de verzamelaar J.F.S. Esser bezit een groot aantal stukken.

In de jaren ’30 maakt Gestel nauwelijks nog schilderijen, maar tekent hij veel.
Hij heeft altijd regelmatig geëxposeerd en in deze jaren voert hij die tentoonstellingsactiviteiten nog op om zo veel mogelijk werk te verkopen. Daarnaast dwingt de economische crisis hem opdrachten uit te voeren voor portretten, reclamewerk en boekillustraties. Hij illustreert ook de levensbeschrijving die zijn vriend Willem van der Pluym van hem schrijft.

In 1939 krijgt Gestel de opdracht voor een grote wandschildering in het postkantoor van Hilversum. Na een grondige bestudering van de voor hem nieuwe techniek die dit vereist, voltooit hij de ontwerptekeningen. Dan wordt hij opnieuw bezocht door de ernstige maagkwaal die hem al meer dan twintig jaar achtervolgt. In november 1941 overlijdt Gestel, vier dagen na zijn zestigste verjaardag. De wandschildering wordt uitgevoerd door de schilder Charles Roelofsz, die Gestel zelf daarvoor aangewezen heeft.

 

JAN KRIEGE (Woerden 1884-1944 Woerden)

Jan Kriege werkte als jongen al in de klompenmakerij van zijn vader, die hij voortzette na diens vroege dood. In 1910 kwam hij in de leer bij de edelsmid Carel Begeer, bij wie hij leerde tekenen, medailleren, ciseleren, kloppen, drijven en monteren. Van 1914-1916 werkte hij bij de firma Cuprera in Den Haag, terwijl hij ’s avonds lessen volgde aan de Academie van Beeldende Kunsten in die stad. In 1919 vestigde hij zich als edelsmid in Woerden. Hij maakte sier- en gebruiksvoorwerpen en sieraden.
Kriege’s werd wordt gekenmerkt door sobere, organische vormen en een gehamerd oppervlak. Hij streefde ernaar objecten zo veel mogelijk uit één stuk metaal te vervaardigen. Zijn werk werd in de jaren twintig onder meer verkocht via het beroemde Amsterdamse warenhuis Metz en Co. Hij nam deel aan diverse tentoonstellingen in De Distel te Rotterdam (1927, 1929, 1934 en 1940), de Amsterdamse Ateliers voor Binnenhuiskunst (1929) en het Stedelijk Museum te Amsterdam (1929). Ook internationaal werd zijn werk tentoongesteld, onder meer in Parijs (1925 en 1937), waar zijn werk beide malen werd bekroond, en in Brussel (1937), Berlijn en Leipzig.
Bij de tentoonstelling in 1940 in De Distel in Rotterdam werd het grootste deel van het daar tentoongestelde werk tijdens het bombardement vernietigd. De weigering om zich in te schrijven bij de Kultuurkamer en gebrek aan materiaal maakten het hem in de oorlog onmogelijk om door te werken. Jan Kriege stierf in 1944.

Techniek
Jan Kriege maakte gebruik van een techniek die ook wel drijfwerk wordt genoemd: het hol of bol ophameren van een plaat metaal. Uit één enkel stuk metaal wordt een complete vorm gemaakt, zonder dat er delen – zoals de bodem – aangesoldeerd hoeven te worden. Deze bijzondere vorm van edelsmeedwerk vereist een intelligente metaalbehandeling en een bijzonder grote ambachtelijke vaardigheid. Kriege heeft vooral veel gebruik gemaakt van een metaal dat tombak wordt genoemd, ofwel getrokken messing; dit is een koperlegering bestaande uit 85% koper en 15% zink. Daarnaast werkte hij af en toe ook wel in zilver; bijvoorbeeld voor het vervaardigen van servieswerk of sieraden.

Bij het drijven bedient een smid zich van een aantal verschillend gevormde hamers met platte of bolle kop. Tijdens het drijven drukt hij het plaatmetaal op een onderliggend stuk staal, de zogenaamde staak, een soort ijzeren bol, die op de werkbank geklemd is.

De gebruikte hamerkop wisselt naar de aard van het te maken object en wordt verder bepaald door het stadium van bewerking. Door met regelmatige slagen de metaalplaat over de staak te bewegen ontstaat er een vormverandering in het metaal. Door de hamerslagen wordt het metaal echter ook steeds harder en brozer, in het midden dunner en aan het uiteinde dikker. Dit kan worden gecorrigeerd door het zogenaamde uitgloeien, waarmee een proces wordt bedoeld om spanningen of onregelmatigheden uit het stuk metaal te verwijderen.

Kriege dreef zelfs zeer grote vazen (tot een meter hoog) en portretbusten uit één cirkelvormige metaalplaat. Bij zo’n proces ontstaan plooien in het metaal, die aan de buitenkant met hamer en stempel – en met eindeloos veel geduld en vakmanschap – worden weggewerkt.

Het Stadsmuseum toont van Krieges hand semi-permanent een vaas en een portretkop van ds. Keuning.

(Deze tekst over Kriege is ontleend aan de brochure Jan Kriege Metalen, uitgegeven door Museum Boijmans van Beuningen en geschreven door Marcel van Schie, t.g.v. de tentoonstelling van Krieges werk in dit museum van 15-10 t/m 11-12-2005)

Reageren

Velden gemarkeerd met * zijn verplicht om in te vullen.




Uw reactie wordt gepubliceerd zodra deze door de redactie is goedgekeurd.

Cornelis Vreedenburgh, Huizenrij met bomen, olieverf op doek, 63 x 110 cm, 1920, coll. Stadsmuseum Woerden (bruikleen uit particuliere collectie)

Leo Gestel, Schoven laden, olieverf op doek, 34 x 48 cm, 1908, coll. Stadsmuseum Woerden

Jan Kriege, Portretkop van ds. K.F.J. Keuning, drijfwerk in tombak, 1935, coll. Stadsmuseum Woerden