We krijgen een trekschuit

15

Tot ver in de 19e eeuw was vervoer over water de snelste manier van transport, ook in het Land van Woerden. Dat was al begonnen in de Romeinse tijd: de vondsten van Romeinse schepen in Woerden getuigen daarvan. In de Middeleeuwen werd de Oude Rijn een soort “natte spoorlijn”, die rond 1365 met andere rivieren als de Hollandse IJssel en de Amstel verbonden werd door speciaal gegraven kanalen zoals de Dubbele en Enkele Wiericke, de Grecht en de Bijleveld. Later, in het begin van de 17e eeuw, kwamen er ook verbindingen tussen Woerden en Montfoort (de Vaart) en Oudewater (de gekanaliseerde Linschoten).

Vervoer over land was bijna onbegonnen werk: de enige wegen waren zandpaden, die in het natte seizoen in modderpaden veranderden, en kades en dijken, die gebouwd waren om water tegen te houden en niet ingericht op het berijden of belopen door veel mensen. Daarbij moest er op vele wegen ook tol betaald worden.
De Oude Rijn was de belangrijkste waterweg in ons gebied en niet alleen voor de stad Woerden. Ook voor grote steden als Utrecht en Leiden was het van belang, dat dit vaarwater goed onderhouden werd.

Halverwege de 17e eeuw begonnen Woerden en Utrecht een overleg over het aanleggen van een jaagpad of trekweg langs de Rijn. Er lag sinds 1604 al een zandpad, maar dat was geen groot succes. Met een jaagpad konden de boten, ook als ze geen wind in de zeilen hadden, toch varen als ze, over dat jaagpad, getrokken werden door paarden of mensen. Bij het overleg van Woerden en Utrecht sloot de stad Leiden zich aan en het resultaat was, dat de drie steden besloten tot het aanleggen van een doorlopend jaagpad vanaf de Zijlsingel in Leiden tot aan Oog-in-Al onder Utrecht. Leiden zou zorgen voor het onderhoud van het stuk tussen Leiden en Nieuwerbrug, Woerden voor het stuk Nieuwerbrug tot en met de stad Woerden en Utrecht voor het resterende gedeelte. Uit tollen en verpachting van vaarrecht zou er geld binnenkomen. Winst of verlies werd door de drie steden gedeeld, waarbij Leiden en Utrecht elk 3/8 en Woerden ¼ deel zou betalen of genieten.
De aanleg van het jaagpad ging niet zonder horten of stoten. Steden als Gouda probeerden uit jaloezie of concurrentienijd de aanleg tegen te houden; de grond, die nodig was voor de aanleg van het pad, moest soms onteigend worden of kon slechts tegen een zeer hoge prijs gekocht worden. Maar ondanks alles kwam het werk af en kon het jaagpad in 1666 in gebruik worden genomen.
Het werd een groot succes. De drie steden hadden een ‘ordonnantie” opgesteld, een soort dienstregeling voor de trekschuiten, met een tarieventabel. De “marktschippers” moesten zich strak aan deze regels en tarieven houden; de stedelijke “commissaris van de jaagschuiten” keek daar nauwlettend op toe. Dat gold trouwens ook voor alle andere marktschuiten, zoals die naar Amsterdam, Gouda en Montfoort.

Het varen met een trekschuit was zwaar werk. Het makkelijkst ging het als er een paard werd gebruikt, maar niet alle schippers konden dat betalen. Daarom huurden ze een schuitenjager in, een sterke man die het schip trok; ook de vrouw van de schipper werd wel eens voor de schuit gespannen. De trekschuit kon 25 tot 35 mensen in de roef, een overdekt gedeelte. Daar was het gezellig, maar ook rumoerig, warm en bedompt: er werd koffij gedronken, pijp gerookt en veel gepraat. Soms moest de schuit stoppen bij sluizen, zoals in Harmelen en Bodegraven, of bij een brug, zoals in Nieuwerbrug. Bij dergelijke stopplaatsen ontstonden dan weer herbergen en pleisterplaatsen.
In de eerste helft van de 19e eeuw kwamen er veel verbeteringen in het wegenstelsel. Onder Lodewijk Napoleon werd begonnen met de aanleg van de “keizerlijke straatwegen”; koning Willem I ging daar vanaf 1815 mee verder. De koninklijke straatweg van Leiden naar Harmelen liep door de Voorstraat in Woerden; het enige bezwaar ertegen was, dat er wel erg veel tol geheven werd. De wegen waren echter goed te bereiden door de diligence, de postkoets, die veel klanten van de trekschuit afsnoepte. De komst van de trein in de tweede helft van de 19e eeuw was de definitieve genadeklap voor het passagiersvervoer per schip; voor goederen bleef het echter nog tot ver in de 20e eeuw het belangrijkste middel.

De trekschuit was toen al verdwenen; ook schepen konden gemotoriseerd worden, waardoor het inspannende en dure gesleep met paarden of mensen niet meer nodig was. Dat merkten de steden Leiden, Woerden en Utrecht ook: de inkomsten van het gebruik van het jaagpad liepen al vanaf 1820 hard terug, totdat het in rond 1870 een zwaar verliesgevende onderneming was geworden. De stad Utrecht trok zich als eerste, in 1877, uit de samenwerking terug en moest haar deel van het jaagpad nu zelfstandig onderhouden. Dat werd een grote mislukking; pas in de 20e eeuw werd het Utrechtse deel van het pad overgedragen aan de provincie. Woerden en Leiden waren gelukkiger: zij wisten al in 1884 hun stukken van het jaagpad over te dragen aan de provincie Zuid-Holland (waar Woerden toen nog bij hoorde).
 

Reageren

Velden gemarkeerd met * zijn verplicht om in te vullen.




Uw reactie wordt gepubliceerd zodra deze door de redactie is goedgekeurd.

Het Jaagpad in Woerden, tegenwoordig de Rijnkade

Gezicht op het Jaagpad langs de Oude Rijn te Woerden, vanaf de Rozenbrug

Woerden, het vroegere Jaagpad. Foto's uit resp. 2010, ca.1900 en 1932. (foto en prentbriefkaart streekarchief RHC Rijnstreek en Lopikerwaard)

Meer weten

Meer lezen
- Alkemade, W.R.C. ‘Raad versus staat: het juridisch steekspel omtrent het beheer, onderhoud en eigendom van het jaagpad langs de Oude Rijn aan het eind van de vorige eeuw” in: Heemtijdinghen, jg. 20 (1984), nr 4, pp. 89-98;
- Gravendaal, C.J.W., en L.Cl.M. Peters ‘Reglement voor de jaagschuiten, varende tussen Utrecht, Woerden en Leiden’ in: Heemtijdinghen, jg. 9 (1973), nr 3, pp. 31-34
- Helvoort, C.J.A. van De Oude Rijn als vaarwater (Woerden, 1917);
- Stavel, G. van ‘Het marktveer van Woerden op Amsterdam’ in Heemtijdinghen, jg. 38 (2002), nr 3, pp 73-79
 

Links

Canons
Regionaal:
Reizen met de trekschuit


Kijken en beleven
- Varen met een trekschuit door het Groene Hart: Stichting het Varend IJsselschip te Oudewater.
- Fietsen of wandelen kan nog altijd langs de Oude Rijn tussen Harmelen en Nieuwerbrug over het oude jaagpad.


Archieven en foto’s
Regionaal Historisch Centrum Rijnstreek en Lopikerwaard