Woerden op de kaart

20

Op een mooie zomerdag in 1842 zagen de inwoners van het dorp Kamerik zes deftige heren wandelen over de Kameriksedijk tussen Woerden en Oudendam. Burgemeester Bredius was erbij en de secretaris van het Groot-Waterschap, Van Erp Taalman Kip, en voorop liep jhr mr Diederik Gregorius van Teylingen, heer van Kamerik. De heren liepen er niet om van het mooie weer te genieten: ze hadden vooral belangstelling voor de weg waarover ze liepen. Het was de laatste inspectie voor de officiële ingebruikname van de bezande en voor het wegverkeer beter berijdbare Kameriksedijk.

Koning Willem I , die na de val van Napoleon de eerste Nederlandse koning was geworden, was een ondernemend man. Om de Nederlandse economie er na de Franse tijd weer bovenop te helpen, was het van belang, dat er goede wegen en waterwegen zouden zijn. Verkeer over de weg werd namelijk steeds belangrijker: postkoetsen en diligences brachten mensen, post en vracht sneller over de weg dan schepen dat konden via het water. De koning verleende veel medewerking en gaf ook opdracht tot het aanleggen of verbeteren van wegen door het Rijk, de gemeentes of waterschappen. Niet alleen de overheid zorgde voor betere wegen, ook gebruikers of mensen die belang hadden bij bepaalde wegen maakten plannen om ‘hun’ weg in goede staat te brengen en te houden.

Overal in Nederland ontstonden tussen 1815 en 1850 “commissies”, die zelf een weg lieten aanleggen of een bestaande weg lieten verbeteren. Meestal werden de aanlegkosten betaald door subsidie en door aandelen uit te geven. De aflossing van die aandelen en het onderhoud van de weg werd bekostigd uit het heffen van tol. Die tolheffing was niet nieuw: op veel rijksstraatwegen was die in de Franse tijd al ingevoerd en ook polderbesturen of particulieren hadden tolhuizen of tolhekken. Een bekend tolhek in Woerden was het Oortjespad tussen de Kameriksedijk en Teckop. Mensen uit Kamerik, die naar het Rooms-Katholieke schoolkerkje in Teckop wilden, moesten bij de boerderij Het Oortjeshek een oortje, een kwart stuiver, betalen om over het pad te mogen gaan.

De Kameriksedijk was al eeuwenlang een belangrijke verbinding van Woerden in de richting van Amsterdam, maar een erg goede weg was het niet. Meer dan een smal, met gras begroeid blubberig ruiterpad was het niet en in het natte seizoen was de dijk nauwelijks begaanbaar. De weg was eigenlijk vooral voor  de bewoners van de boerderijen en het dorp Kamerik van belang; vrachtverkeer en reizigers gingen liever over het water, via de wetering of de Grecht naar Amsterdam en terug.  In 1822 had de gemeente al geprobeerd met puin en zand de weg te verbeteren. Dat was blijkbaar niet erg gelukt, want in 1838 was jhr Van Teylingen, die in Rotterdam woonde en werkte, gaan nadenken over een plan om een goede weg te krijgen tussen Woerden en Wilnis. Omdat de gemeente Wilnis later niet meer mee wilde doen, werd het plan ingekrompen tot het stuk van de Kameriksedijk tussen de Kruipin en Oudendam. Van Teylingen ging overleggen met het gemeentebestuur en de polderbesturen, maar ook met de provincies Utrecht en Zuid-Holland. Er werd een “commissie”gevormd, die 6300 gulden (ongeveer 2865 euro) van de provincies wist los te krijgen en die voor 1200 gulden (ongeveer 545 euro) aandelen uitgaf. Van het Rijk kreeg de commissie toestemming om tol te heffen en daarvoor werden twee tolhekken op de weg gezet, eentje bij de Plompjesbrug in de buurt van het dorp Kamerik en de andere aan het eind van de weg, bij Oudendam. In 1841 was alles in kannen en kruiken en kon het werk, bestaande uit het bezanden en het verbreden van de dijk, beginnen. Op 27 juni 1842 was het werk zover, dat het opgeleverd kon worden en om te zien of het werk goed gebeurd was, liepen de zes commissarissen van Kruipin naar Oudendam. En het werk was goed gebeurd, want na afloop ging het gezelschap het vieren met een feestelijke maaltijd op de boerderij Boschlust op Geestdorp, eigendom van jhr Van Teylingen.

Tot 1918 bleef het beheer en onderhoud van de Kameriksedijk in handen van de commissie en bleven de tolhekken staan. Niet iedereen hoefde te betalen: inwoners van Kamerik waren vrijgesteld en ook de marechaussee, aannemers die onderhoudswerk moesten doen en de leden van de commissie van de Kameriksedijk zelf konden de weg gratis gebruiken.
Vanaf 1918 nam de gemeente Kamerik de weg over van de commissie, maar de tollen bleven nog tot 1932 bestaan. Ter herinnering aan de man, die in 1838 het plan had opgevat om de weg te verbeteren werd in 1955 de Kameriksedijk officieel “Van Teylingenweg” genoemd. Een terecht eerbetoon, want door zijn idee werd Kamerik van een geïsoleerd dorp een goed bereikbare plaats.
 

Reageren

Velden gemarkeerd met * zijn verplicht om in te vullen.




Uw reactie wordt gepubliceerd zodra deze door de redactie is goedgekeurd.

Woerden in 1832 op een kaart uit het kadaster

Harmelen in 1832 op een kaart uit het kadaster

De Kameriksedijk begin 20e eeuw, met bebouwing te Kanis. Het Utrechts Archief

Luchtfoto Mijzijde/Van Teylingenweg in Kanis, 1979. Het Utrechts Archief

Meer weten

Meer lezen

Landelijk:
- Brugmans, I.J. Stapvoets voorwaarts: sociale geschiedenis van Nederland in de negentiende eeuw (Bussum, 1970)

Woerden en omgeving:
- Alkemade, W.R.C. ‘De aanleg van de weg en vaart tussen Bodegraven en Gouda’ in: Reeuwijkse Reeks nr 4 (1992), pp.36-48;
- Alkemade, W.R.C. ‘De Nieuwe Zandweg te Linschoten als tolweg, 1820-1912’ in: Heemtijdinghen, jg 31 (1995), nr 2, pp. 38-46;
- Nap, H. en C. Timmerman ‘Diederik Gregorius van Teylingen (1752-1837), ambachtsheer van Kamerik en de Houtdijken’ in: Langs de Oude Rijn: levensbeschrijvingen van bekende en onbekende mensen uit Vleuten De Meern, Harmelen en Woerden (Utrecht, 1999), pp. 171-175
- Panne-van Deuren, C.J.H.M. van de Inventaris van het archief van de Commissie van de Administratie over den Kamerikschen Dijk 1838-1917 (1925) (Woerden, 1990), pp. 2-11
 

Links