Tijd van steden en staten hoge en late middeleeuwenTijd van steden en staten hoge en late middeleeuwen
Tijd van burgers en stoommachines industrialisatieTijd van burgers en stoommachines industrialisatie
Share on print
Share on whatsapp
Share on facebook
Share on twitter

Het gevecht met het water

In een moeras kun je niet wonen. Veel te nat. Dat dachten de vroegere bewoners in het westen van ons land ook. Maar waar laat je al dat water? Natuurlijk kan dat via sloten naar de Oude Rijn en daarmee snel naar zee. Maar wat doe je als dat niet meer werkt als het land lager komt te liggen dan de rivier? Het kan ook niet zomaar naar het terrein van de buurman worden verplaatst. Water kwijtraken, en de waterstand beheren, kan alleen maar door samenwerking en afspraken maken. In ons land noemen we dat ook wel polderen. Dat blijkt meer te brengen dan alleen het winnen van het gevecht met het water. Het legt ook de basis voor onze welvarende Randstad.
Kaart van het Groot-Heemraadschap Woerden uit 1670 (foto RHC)

Het moeras moet droog

De huidige Biesbosch geeft een goed beeld hoe onbegaanbaar het veenlandschap met zijn kreken moet zijn geweest. foto (prive-collectie)

Woerden ligt in een uitgestrekt gebied  met een meters dikke veenlaag. Veen dat in duizenden jaren achter de duinenrij wordt gevormd in het westen van Nederland. Het is van oorsprong een groot moerassig en onbegaanbaar gebied. De landeigenaren sluiten cope-overeenkomsten met pachters voor de ontginning.[1] Lange gegraven waterwegen, de zogeheten weteringen, voeren het water naar de dichtstbijzijnde (veen)rivier. Zo’n afvoerwetering is de Kamerikse wetering die al in het jaar 1131 wordt genoemd. Deze wetering mondt dan direct uit in de Rijn. Veenrivieren kennen we nog steeds, zoals de Meije, de Aar, de Linschoten, de Vlist en de Amstel. Veen bestaat voor ca 80% uit water. Als je het water eruit haalt klinkt het in. In de eerste dertig jaren bedraagt de bodemdaling soms meer dan een meter. Later daalt het maaiveld veel langzamer en gelijkmatiger.

 

Watergevecht tussen de Bisschop en de Graaf

Keizer Frederik Barbarossa gaf in 1165 bevel om de Zwammerdam in de Oude Rijn te verwijderen. Ter gelegenheid van de 800-jarige herdenking van deze gebeurtenis maakte Theo van der Nahmer (1917-1989) deze sculptuur van de keizer ‘met de rode baard’. (foto: privecollectie)

Bij de eerste ontginningen in het Groene Hart kan veel water via de Rijn worden afgevoerd. In de twaalfde eeuw wil de bisschop van Utrecht zijn gebied ten oosten van Utrecht ontginnen. Hij damt de Rijn bij Wijk bij Duurstede af. Niet meer een deel, maar al het Rijnwater uit Duitsland gaat voortaan via de Lek richting zee. Van overstromingen door de Rijn in zijn gebied heeft de bisschop dus geen last meer. Door de afdamming (in 1122) verandert de Rijn, nu de Oude Rijn, in een veel kleinere rivier, waarin het water uit omliggende polders wordt geloosd. De afvoer in zee is nog steeds bij Katwijk.

Maar dat verandert als na een aantal stormvloeden de monding van de Oude Rijn rond het jaar 1160 verlandt. Het water kan nergens meer heen en in de omgeving van Leiden brengt dit veel overlast met zich mee. Het gevecht tegen het water is dan echt begonnen. De graaf van Holland, Floris III, neemt een drastische maatregel. Hij laat in de Oude Rijn een dam aanleggen (1165) op de grens van het toenmalige graafschap Holland en het bisdom Utrecht. Daar ligt een burcht voor de Hollandse grensbewaking, de Suadenburcht. De dam noemt men vervolgens de Suadenburcherdam (Zwammerdam).

Nu de graaf geen last meer heeft van het water uit Utrecht kan hij het Hollandse “Oude Rijn-water” via de Leidsemeren en het Spaarne naar het IJ laten afvoeren. Door de zeespiegelstijging zijn langs het IJ inmiddels dijken aangelegd tegen overstromingen vanuit de Zuiderzee. Om het polderwater toch kwijt te raken komen er uitwateringssluizen bij het Spaarne. Vervolgens zit de bisschop van Utrecht met al dat water in zijn maag. Omdat de graaf en de bisschop allebei leenheer zijn van de Duitse keizer Frederik Barbarossa, roept de bisschop zijn hulp in. De keizer besluit dat de Suadenburcherdam moet worden afgebroken en dat de graaf en bisschop samen een oplossing moeten zoeken.

Die oplossing komt er. Een aantal polders aan de noordzijde van de Oude Rijn, zoals Kamerik, ’s-Gravesloot, Rietveld, Zegveld, Gerverscop en Breudijk mogen hun water toch weer via de Oude Rijn afvoeren naar Leiden. Maar zij moeten dan wel meebetalen aan de sluizen bij het Spaarne. Voor andere polders moeten nieuwe verbindingen worden gegraven naar het noorden om ook in het IJ te kunnen lozen.

Het is voor de polderbesturen dan erg ingewikkeld geworden. Het gaat nu in feite om een “grote omkering” van de afvoer van het water.

De Grote Omkering

De Dubbele Wiericke (foto: privecollectie)

De Grote Omkering markeert de start van de grote waterschappen. De kleine polderbesturen kunnen deze grote klus niet meer aan en de graaf van Holland sticht voor zijn gebied het Hoogheemraadschap Rijnland (1253). Niet veel later ontstaat ook, in het jaar 1322, het Groot-Waterschap van Woerden, tussen de Meerndijk en Zwammerdam.

Aan de zuidkant van de Oude Rijn kiest men voor afvoer op de Hollandse IJssel en meer in het westen voor afvoer naar de Maas. Hier gaat het water via de Kromwijkerwetering en de Linschoten, en vervolgens via Oudewater naar de Hollandse IJssel die veel lagere waterstanden had dan de Oude Rijn. In de veertiende eeuw worden zo de Enkele en Dubbele Wiericke gegraven tussen de Oude Rijn en de Hollandse IJssel om ook het overtollig Rijnwater sneller af te voeren.

Evenzo wordt, om dezelfde reden, in de jaren 1360 – 1365 de Greft gegraven zodat de Zegveldse polders en de polder Kamerik-Mijzijde het water makkelijk kwijt kunnen. Om te voorkomen dat de polders buiten het Groot-Waterschap profiteerden van deze betere afwateringen, bouwt men bij Bodegraven een sluis en bij Harmelen een dam. Hierdoor raakt de waterhuishouding van het Groot-Waterschap gescheiden van die van de aangrenzende watergebieden en is het gevecht tegen het overtollige water van de ander beslecht. Door de ligging aan waterwegen, waarvan de scheepvaart gebruik maakt voor de handel, ontstaan plaatsen die uitgroeien tot grote steden. In hun namen herkennen we vaak de waterweg waaraan ze liggen, zoals Amsterdam (de Amstel), Gouda (de Gouwe) en Rotterdam (de Rotte).

Overstromingen

Natuurlijk brengen overstromingen van de Oude Rijn de nodige overlast voor Woerden met zich mee, maar dijkdoorbraken van de Lek blijken eigenlijk veel gevaarlijker. Er zijn doorbraken waarbij het water zelfs tot Utrecht en Leiden komt. De dijkdoorbraak van de Lek in 1747 bereikt ook Woerden. Naast deze rivieroverstromingen spreken ook het onder water zetten  tot de verbeelding. Tijdens het beleg door de Spanjaarden in 1576 wordt dit in het gebied rond Woerden gedaan. In 1672 – het Rampjaar – ligt de (oude) Hollandse Waterlinie nog net ten westen van Woerden. Vele jaren later, in de periode 1740 – 1748, wordt Woerden ook echt opgenomen in die waterlinie.

Techniek komt te hulp

Gemaal Kamerik-Teylingens (foto prive-collectie)

In de 15e eeuw klinkt het land zo sterk in dat natuurlijke afwatering niet meer mogelijk is. Het land ligt lager dan de Oude Rijn, de “boezem” van de polders. De uitvinding van de poldermolen die op windkracht draait, brengt nieuwe mogelijkheden in beeld. De eerste molen verrijst in 1408 bij Alkmaar en vanaf de tweede helft van de 15e eeuw bouwt men ook molens in het Groene Hart. Daarvoor worden watermolens nog aangedreven door een paard. Zo’n molen staat dan ook in Kamerik Mijzijde. Bemaling met molens bleef heel lang in stand in het gebied rond Woerden. Vanaf 1870 komen er stoomgemalen. Die worden op hun beurt weer vervangen door dieselgemalen en later door grote en kleine elektrische gemalen.

 

Stichtse Rijnlanden

In 1975 worden de kleinere polderbesturen en waterschappen opgeheven en in het Groot-Waterschap van Woerden opgenomen. In 1995 volgt zelfs de opheffing van het Groot-Waterschap en gaat deze organisatie op in een nog groter waterschap: het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden.

 

 

[1] Cope: Een afspraak tussen de landeigenaar en de ontginner over het ontginnen van een gebied. Hierin zijn de wederzijdse rechten en plichten vastgelegd. Zie ook verhaal 6: Van veengebied naar polder.

Hoofdauteur: Theo Aarsen
Van veengebied naar polder

Het Groene Hart, waarvan Woerden het centrum is, staat bekend om zijn karakteristieke weidelandschap: lange stroken grond begrensd door kaarsrechte ...

lees verder >
Jagen op Woerden – de Trekschuit

Een treinreis tussen Leiden en Utrecht, via Woerden, duurt nu zo’n veertig minuten. Elk half uur is er een verbinding. ...

lees verder >
Woerdens rampjaar 1672

Wie vanuit Woerden naar Kamerik gaat komt, even voorbij het Brediusbos, langs de Kruipin. Niets herinnert er nog aan, behalve ...

lees verder >
Gemalen op stoom

Eeuwenlang houden watermolens op windkracht ons woongebied droog. De molens zijn natuurlijk van de wind afhankelijk. Als het niet waait ...

lees verder >